Column: Ama Koranteng-Kumi, 12 januari 2026

Wat crisis ons leert over de toekomst van onze musea

De beslissing van Vlaams minister van Cultuur Caroline Gennez om het M HKA zijn museale status te ontnemen en de collectiezorg te herpositioneren, veroorzaakte begrijpelijkerwijs schokgolven. Het M HKA is geen voetnoot: het heeft een internationale reputatie, een sterke collectie en een belangrijke plaats in de geschiedenis van de hedendaagse kunst

Maar wie het debat hier laat stoppen, mist de kern: de hele sector worstelt al jarenlang met een structurele crisis. Laten we het gesprek dáárover eindelijk voeren.

Achter de verontwaardiging schuilt een fundamentele vraag die de sector te lang heeft ontweken:
Heeft een museum automatisch bestaansrecht, ook wanneer het structureel tekortschiet in zijn maatschappelijke, organisatorische en menselijke kerntaken?

Musea zijn geen moreel autonome entiteiten. Ze bestaan bij de gratie van publieke middelen en publieke legitimiteit. Dat impliceert verantwoordelijkheid, toetsing en de bereidheid om fundamenteel bevraagd te worden. Artistieke autonomie is geen vrijgeleide om in een ivoren toren te blijven. Integendeel: ze veronderstelt robuuste governance, gezond leiderschap en een levende relatie met samenleving en veld.

De spanning tussen internationale ambitie en lokale verankering, tussen prestige en publieke relevantie, tussen inhoudelijke excellentie en interne draagkracht, speelt in veel grote instellingen. Wat zelden hardop wordt gezegd, is dat deze spanningen vaak geen inhoudelijk probleem zijn, maar een onderliggend machts- en leiderschapsvraagstuk.

Musea zijn niet neutraal. Ze maken keuzes, produceren betekenis en bepalen wie zichtbaar wordt en wie niet. Ze zijn per definitie politiek, niet partijpolitiek, maar maatschappelijk. Althans dat is het ideaal. Dat vraagt om zelfkritiek en openheid. Sinds 2022 onderstreept ook de ICOM-definitie dat musea democratiserende, inclusieve en polyfone ruimtes moeten zijn, gericht op rechtvaardigheid en duurzaamheid. Voor veel instellingen kwam die definitie niet te vroeg, maar te laat.

Tegelijk leeft de sector in een paradox. In discoursen gaat het over slow practices, regeneratie en zorg voor ecosystemen. In de praktijk draaien veel instellingen nog steeds op snelle tentoonstelling cycli, hoge productiedruk en bezoekersaantallen als legitimatie.
Dit model put mensen uit.

De vraag is bovendien of het ruimte laat voor verdieping, voor langdurige relaties met gemeenschappen, voor een publiek dat zich gezien en aangesproken voelt, en voor maatschappelijke impact die verder reikt dan cijfers alleen.

De Landschapstekening Kunsten 2025 van Kunstenpunt toont wat velen al langer ervaren: burn-outs, laag welzijn en problematisch, vaak hiërarchisch leiderschap zijn geen incidenten, maar structureel. Daarbovenop komt een workforce crisis. FARO pleitte al in 2021 voor een structureel, sectoroverkoepelend HR-beleid om het dreigende tekort aan expertise, de tanende aantrekkingskracht op jonge generaties en het gebrek aan diversiteit aan te pakken. Uitsluiting - expliciet of subtiel - leidt niet alleen tot onrecht, maar ook tot intellectuele en institutionele verarming. Toch worden inclusie en structureel participatief beleid nog te vaak weggezet als een bedreiging voor kwaliteit, of als een tijdelijk ongemak, in plaats van gezien als voorwaarde voor toekomstbestendigheid. De echte olifant in de kamer is dat dit vraagt om een kritische bevraging van het eigen DNA: het herzien van werkwijzen en het daadwerkelijk ruimte maken binnen bestaande machtsposities.

Tegelijkertijd is er een jonge generatie makers en potentiële bezoekers (Gen Z en jonge millennials) die nauwelijks nog aansluiting vinden bij musea. Niet omdat kunst of cultuur hen onverschillig laat, maar omdat de waarden en werkwijzen van instellingen niet resoneren.
Ze creëren, delen en beleven kunst en cultuur via eigen netwerken, buiten de institutionele muren om. In de periferie ontstaan intussen initiatieven die tonen dat het anders kan: kleiner, wendbaarder, dichter bij kunstenaars en gemeenschappen. Zij bereiken doelgroepen waar grote instellingen vaak geen toegang toe hebben, maar opereren structureel onderfinancierd. Deze humuslaag is geen randverschijnsel; ze is essentieel voor de vitaliteit van het hele ecosysteem.

Onze instellingen draaien op een leiderschapsmodel dat zijn legitimiteit is kwijtgeraakt, en te lang onbetwist blijft. Deze discussie beperkt zich niet tot Vlaanderen. Nederland toont de verschuiving in volle omvang. Het nieuwe beleid (Culturele Basisinfrastructuur 2025–2028) stelt impact, bereik en maatschappelijke relevantie boven institutionele status. Dat leidde direct tot een forse herverdeling van middelen richting nieuwe en jongere spelers. Die nieuwe logica vindt zijn weerslag in het museumveld zelf, waar legitimiteit steeds minder van collectiebezit en steeds meer van netwerken, sociale binding en participatie afhangt. Dit uit zich in twee richtingen: in de gewenste transformatie van gevestigde instituties (zoals het Stedelijk Museum Amsterdam, dat via programma’s als Buro Stedelijk community-samenwerking centraal stelt) en in de opkomst van radicaal nieuwe vormen. Het recent geopende Fenix Museum in Rotterdam is hiervan het toonbeeld: een museum zonder eigen collectie dat zijn bestaansrecht puur ontleent aan verhaal en publieksparticipatie. Beide tonen dat toekomstige legitimiteit fundamenteel anders wordt verdiend.

Soms moeten we een ongemakkelijke waarheid onder ogen zien: niet elk museumprobleem is op te lossen met meer geld, een nieuw gebouw of een sterkere communicatiestrategie. Soms vraagt het om het loslaten van oude machtsstructuren, om andere vormen van leiderschap, en om het serieus nemen van welzijn, diversiteit en lokale inbedding als kernopgaven, niet als randvoorwaarden.

Dit is geen pleidooi tegen grote instellingen. Het is ook geen romantisering van het kleine. Het is een pleidooi voor een ecosysteem waarin expertise, schaal en internationale netwerken samengaan met wendbaarheid, zorg en betrokkenheid. Zonder die balans verschraalt het geheel.

De recente crisis is geen fout in het systeem. Ze maakt zichtbaar hoe het systeem functioneert.

De vraag is niet of verandering nodig is. De vraag is of we eindelijk bereid zijn haar daadwerkelijk door te voeren, niet defensief en niet symbolisch, maar fundamenteel. Met leiderschap dat verantwoordelijkheid neemt, en met ruimte voor stemmen die te lang genegeerd zijn.

Ama Koranteng-Kumi is strategisch adviseur en sociaal ondernemer met meer dan twintig jaar ervaring in de culturele sector in Nederland en België. Als mede-oprichter van MINO Agency werkt ze rond institutionele verandering, leiderschap en inclusie in musea en kunstinstellingen.